Shopping Cart
Your Cart is Empty
Quantity:
Subtotal
Taxes
Shipping
Total
There was an error with PayPalClick here to try again
CelebrateThank you for your business!You should be receiving an order confirmation from Paypal shortly.Exit Shopping Cart

GAMBIA

Hoofdstad: Banjul

Oppervlakte: 11.295 km2

Aantal inwoners: 2 miljoen (2016)

Munteenheid: Dalasi

Bekend van: Goedkope strandvakanties, muziek en de film Roots

Over Gambia

(Officieel The Gambia)

Het land

Gambia is met een oppervlakte van 11.300 km² het kleinste land op het vaste land van Afrika en wordt op de kuststreek na geheel omsloten door Senegal. Gambia ligt op het meest westelijke puntje van Afrika aan de Atlantische Oceaan. Gambia is van oost naar west zo’n 320 kilometer lang en slechts enige tientallen kilometers breed. Bij de kust is het land 48 km breed, maar het versmalt zich geleidelijk tot 24 km breedte. De oppervlakte van Gambia is maar iets groter dan een kwart van Nederland.

Door het land loopt de goed bevaarbare Gambia-rivier die als levensader van het land wordt gezien. De rivier doorsnijdt het land van west naar oost in tweeën. Er zijn niet veel mogelijkheden om de rivier over te steken. Het landschap is licht glooiend met wat heuveltjes in het binnenland. Langs de kust liggen de vele zandstranden die met name erg in trek zijn door toeristen vanuit Europa.

Oorsprong

Gambia is een voormalige Engelse kolonie, die op de korte kuststrook na geheel wordt omringd door de vroegere Franse kolonie Senegal. In 1664 zagen de Engelsen kans zich te vestigen op James Island (bekend van de film Roots-Kunta Kinte), vlak aan de monding van de rivier de Gambia en maken ze ook aanspraak op de smalle strook landinwaarts aan beide zijden van de rivier. In die tijd lokten niet alleen goederen als ebbenhout, maar meer nog de slaven, de Europese handelaren. Fort James werd de centrale verzamelplaats voor de slaven die in de 18e eeuw door de Engelsen naar Amerika werden verscheept. Dit ging door totdat in 1807 de slavenhandel door de Britten werd afgeschaft.

In 1888 kreeg Gambia de status van de kolonie en lieten de Engelsen – in tegenstelling tot de Fransen in Senegal – de inheemse bevolking vrijwel intact. In 1963 kreeg Gambia intern zelfbestuur en twee jaar later de volledige onafhankelijkheid. In 1967 werd er door Gambia en Senegal een samenwerkingsverdrag ondertekend dat er toe moest leiden dat de beide landen als één land, Senegambia, verder zouden gaan. In 1976 werden de grenzen tussen beide landen opnieuw vastgesteld en tussen 1982 en 1989 vormden ze eenstatenbond. Dat verdrag werd in 1989 weer opgezegd omdat Senegal vond dat Gambia zich niet snel genoeg ontwikkelde. Gambia besloot toen om zelfstandig te blijven.

In 1970 kreeg Gambia hun eerste president Dawda Kairaba Jawara. In 1994 ontstond er een staatsgreep door Yahya Jammeh. Men beschuldigde Jawara van corruptie. Ondertussen leed de economie veel schade door alle gebeurtenissen. Met name Engeland en de Scandinavische landen adviseerden toeristen om niet naar Gambia af te reizen. Pas eind 1995 kwam het toerisme weer wat op gang. In de jaren 1996 en 1997 werd de parlementaire democratie weer "hersteld" met een nieuwe grondwet, werd Jammeh als nieuwe president gekozen en vonden er algemene verkiezingen plaats. De nieuwe partij van Jammeh won. 

In 2016 verloor Jammeh op 1 december de verkiezingen in het land van Adama Barrow, maar weigerde op te stappen omdat in zijn ogen de verkiezingen oneerlijk waren verlopen. Hij riep de noodtoestand uit voor 3 maanden. Uiteindelijk stond in 2017 Jammeh onder zware diplomatieke druk de macht af. Jammeh vluchtte naar Equatoriaal Guinea.

Inwoners

Gambia heeft 2 miljoen inwoners en behoort met z’n 178 per km2 tot één van de dichtstbevolkte landen van Afrika. Gambia staat daarmee op de vierde plaats van dichtstbevolkte landen van Afrika. De meeste mensen wonen in de kuststreek, waarvan de drie belangrijkste steden Banjul, Serekunda en Brikama zijn.

De meeste inwoners heeft Serekunda, ongeveer 275.000; in de hoofdstad Banjul wonen ongeveer 42.000 mensen en daardoor is het een van de kleinste hoofdsteden van Afrika. De derde stad is Brikama deze stad telt ongeveer 41.000 inwoners.  

Het geboortecijfer ligt erg hoog; per 1000 inwoners worden er 43 kinderen geboren en vrouwen krijgen gemiddeld 5,7 kinderen in hun leven. De zuigelingensterfte is ook hoog. 125 van de 1000 kinderen sterven in het eerste levensjaar.

De bevolkingsopbouw van Gambia is volstrekt niet te vergelijken met de West-Europese. KInderen en jongeren t/m 14 jaar maken 45% van de bevolking uit. De gemiddelde levensverwachting is 54 jaar.

De inwoners van Gambia zijn over het algemeen vriendelijk ingesteld. Opmerkelijk is dat vrijwel elke Gambiaan gedag zegt.

Stammen en talen

In Gambia wonen ongeveer 15 verschillende stammen die ongeveer 30 verschillende talen spreken met elk hun eigen cultuur. Deze stammen komen niet alleen in Gambia voor maar in praktisch alle West-Afrikaanse landen.

De Mandinka met 44% is de grootste in Gambia. Verder zijn er de Fula (ongeveer 18%) en de Wollof (ongeveer 15%) stammen. De Mandinka en de Fula leven merendeels op het platteland en bedrijven landbouw en veeteelt, terwijl de Wollof meer in de stedelijke gebieden te vinden zijn, waar zij zich veelal met de handel bezighouden. Een andere groep mensen vormen de Aku, de afstammelingen van teruggekeerde slaven en bevrijde slaven. De aku zijn over het algemeen christen en hebben vaak een Engelse achternaam

Een kleine, maar belangrijke groep zijn de Libanezen die veel bakkerijen, restaurants en een belangrijk deel van de voedingsmiddelenimport in handen hebben. Verder leven er nog ongeveer 25.000 Senegalezen, voornamelijk als arbeidskrachten.

Engels is de officiële voertaal. De bevolking rond de kust beheerst deze taal redelijk maar zodra je iets verder naar het binnenland ga zullen ze je al snel niet meer verstaan. De belangrijkste stamtaal het Mandinka is de taal waarin stammen onderling communiceren.

Economie

De economie van Gambia behoort tot de zwakste in de wereld. Het gemiddelde inkomen per Gambiaan is nog geen € 30 euro per maand. De Gambiaanse economie rust hoofdzakelijk op de agrarische sector en de visserij. Het belangrijkste export product is pinda. Op kleinere schaal worden ook specerijen, papaya en mango geëxpoteerd. Voor eigen gebruik verbouwt met rijst, casave en couscous. April en mei, de droge maanden staan bekend als ‘hungry season’. De wintervooraden zijn op en het is wachten op de nieuwe oogst. Ieder jaar is het afwachten hoe de oogst zal zijn, een gebrek aan regen kan de hele oogst vernietigen. Door uitputting van de grond neemt de landbouw de laatste jaren af.

De meeste verse vis wordt gevangen op de oceaan en in de rivier. Deze vis wordt verkocht aan restaurants en toeristenhotels. Voor de lokale bevolking wordt de vis te koop aangeboden op de plaatselijke markt en bij de kraampjes langs de weg. Een deel van de vis wordt gerookt en gaat als exportartikel naar buitenland zoals Ghana.

De toeristenindustrie levert een steeds groter aandeel in het nationaal inkomen en draagt zo steeds meer bij aan de werkgelegenheid en de welvaart van de bevolking. De toeristensector bevindt zich met name het meest in het westen langs de kust. Hierdoor profiteren met name alleen de mensen in het westen ervan. De inwoners van het binnenland leven veelal alleen nog steeds om te overleven.

Het maken van kleding, houtbewerking, kleine handeltjes in fruit en groente zorgt voor een andere inkomstenbron. De werkloosheid in Gambia is erg hoog en de meeste Gambianen leven in absolute armoede en hebben minder als 1 euro per dag te besteden en dat terwijl een zak rijst al bijna 20 euro kost.

Gambia is erg afhankelijk van export o.a. betreft voedsel, brandstof, transportmiddelen, enz.. De meest import komt vanuit China maar ook landen als Senegal en Nederland drijven handel met Gambia. Veel voedsel zoals uiten, aardappelen maar ook eieren komen uit Nederland.

Gezondheidszorg

De gezondheidszorg in Gambia staat op een heel laag peil. Er is een tekort aan vrijwel alles: er zijn te weinig klinieken, te weinig artsen, te weinig geschoolde verpleegkundigen, en te weinig medicijnen. Op het platteland zijn duizenden mensen afhankelijk van de (kraam-) klinieken die in de wat grotere dorpen zijn gevestigd. Patiënten moeten daarheen lopen of met een ezelwagentje worden gebracht, want op het platteland zijn vaak geen auto’s daarvoor aanwezig. In deze kleine gezondheidsposten zijn meestal wel een verloskundige en een verpleegkundige, maar bijna nooit een arts.

Medisch gezien gaat in Gambia de grootste zorg naar moeder en kind, dat wil zeggen controles vóór de bevalling, de bevalling zelf en de controle van de zuigelingen. Echter de kraamklinieken en de consultatiebureaus hebben vaak nauwelijks apparatuur.

Er sterven (te) veel vrouwen in het kraambed. Ook de kindersterfte is groot.

Gemiddeld sterven 48 van de 1.000 baby’s bij de geboorte, halen van de 1000 baby's zo’n 125 kinderen het 1e levensjaar niet en zo'n 200 kinderen het 5e levensjaar niet.

De belangrijkste doodsoorzaken zijn malaria en ziektes die worden veroorzaakt door het drinken van vervuild water (zoals diarree, hepatitis A en tyfus).

De levensverwachting van de mensen in Gambia is dan ook maar 53 jaar, en maar 3% van de bevolking wordt ouder dan 65 jaar.

Onderwijs

In Gambia bestaat geen leerplicht. Driekwart van de kinderen volgt in elk geval enkele jaren onderwijs, waarbij er voorrang wordt gegeven aan jongens.

De inbreng van de kinderen bij het werk op het land en/of huishouding is vaak noodzakelijk. 

Het lager Islamische basisonderwijs is gratis. De overheid ondersteund alleen scholen die verplichte Arabische les geven en onderwijs uit te Koran.

Gratis of niet bij bijna alle scholen wordt er wel een bijdrage aan de ouders gevraagd voor het schoolfonds en een uniform. Dit uniform is verplicht en staat voor de gelijkheid van de kinderen. Ook moeten de ouders betalen voor boeken, schriften, pennen, etc. Een kleuterschool (nurseryschool) voor kinderen van 4 t/m 8 jaar is echter een privé school, waar ook de salarissen betaald moeten worden door de school zelf. Ondanks dat vele basisscholen gratis zijn, zijn de kosten voor ouders, zoals voor het schooluniform vaak al niet te betalen en kunnen kinderen als nog niet naar school.

Religie

Gambia is een grotendeels islamitisch land. Rond de 90% van de bevolking is moslim. Ongeveer 10% van de bevolking behoort tot de overige geloven zoals o.a. christendom. Veelal zijn rooms-katholieke of van anglicaanse kerk. Verder zijn er nog kleine groepjes methodisten, zevendedagadventisten en babtisten. Het animisme is als formeel geloof verdwenen. Het animisme is een oergeloof waarbij men gelooft dat alle aardse dingen zoals bomen, dieren of zelfs stenen, een eigen spirituele kracht bezitten. Toch leeft het nog in zekere mate voort, zelfs onder de moslims en de christenen. Ook bijgeloof speelt nog een rol.

Omdat volgens de islam mannen maximaal vier vrouwen mogen hebben, komt met name in het binnenland polygamie nog regelmatig voor. In de steden is dit veel en veel minder het geval.

In december 2015 kondigde president Jammeh aan dat zijn land voortaan door het leven gaat als islamitische republiek. Aangenomen werd dat Jammeh zo in de gunst wilde komen van rijke islamitische landen, die de weggevallen westerse steun moesten vervangen. Jammeh verklaarde dat aan andersgelovigen geen beperkingen zouden worden opgelegd, en dat geen kledingvoorschriften zouden worden opgelegd. Desalniettemin werden in januari 2016 vrouwelijke overheidsambtenaren verplicht een hoofddoek te dragen

Flora

Gambia kent een grote verscheidenheid aan vegetatie. Verschillende soorten palmen komen voor in Gambia, met name de kokospalm. Opvallend is de katoen- of kapokboom die meer dan 50 meter hoog kan worden. De kapok die uit de zaden komt, wordt gebruikt als vulling voor matrassen en kussens. De kolaboom levert de grondstof voor de frisdrank cola. De mahonieboom levert mahoniehout op. Door het vele kappen komt deze boomsoort nog maar weinig voor in Gambia. In de wat vochtigere gebieden komen bamboebossen voor. Van bamboe worden schuttingen, meubels en diverse gebruiksvoorwerpen gemaakt..

In de droge streken komen acacia’s en de meest karakteristieke boom van Afrika voor: de baobab of apenbroodboom. De baobab wordt ongeveer 20 meter hoog en kan meer dan 1000 jaar oud worden. De boom speelt een rol in talloze Afrikaanse mythen en legenden. De schors, de vruchten, de bladeren, het hout, bijna alles van deze boom wordt door de bevolking gebruikt.

In het nattere zuiden groeien mango-, cashew, en citrusbomen, evenals oleanders, hibiscus en bougainville. De kinineplant levert sap dat o.a. beschermt tegen malaria, de vaakst voorkomende ziekte in het land.

Fauna

In Gambia werden tot nu toe ongeveer 450 verschillende soorten vogels geteld, en nog steeds worden nieuwe soorten ontdekt. Sommige soorten komen alleen in Gambia voor. Er vinden in Gambia dan ook vrijwel geen gewone safari’s maar vogelsafari’s.

Grote vogels zijn onder andere de Maraboe, Gieren, Lepelaars, Kraanvogels, Arenden, Uilen en de opmerkelijke Grondneushoornvogels. Grote zoogdieren zijn vrijwel allemaal uitgestorven. Giraffen, Leeuwen, buffels en grote Antilopen komen vrijwel uitsluitend in natuurparken voor. Landinwaarts komen nog wel nijlpaarden en krokodillen voor in de Gambia-rivier.

Verschillende apensoorten met name de kleine apensoorten zoals de Fluweelaap of de Huzaaraap komen overal in het land voor. Verder zijn er nog kleine antilopensoorten, aardvarkens en knobbelzwijnen.

Zowel op het land als in het water komen slangen voor sommige zijn zeer giftig. Reuzenhagedissen en kameleons komen ook regelmatig voor. In de Gambia-rivier leven verschillende zeldzame vissoorten. Doordat het water van de Gambia-rivier zo’n 150 tot 180 kilometer landinwaarts zout is zijn er in de rivier zelfs dolfijnen waar te nemen. Bij de kust komen onder andere nog zeeschildpadden en haaien voor. De bijna uitgestorven zeekoe is nog af en toe te zien bij riviermondingen. In de Mangrove groeien aan de wortels vele mangroveoesters.

0